Limburgse Taal

zelfstandig naamwoord (de) /ˈlɪmˌbʏrxsə taːl/

de taal gesproken in en inheems aan de Belgische en Nederlandse provincies Limburg en aangrenzende Rijnlandse gebieden. Er zijn verschillende variëteiten, vaak genoemd naar de plaats, zoals Hasselts, Kerkraads, Maastrichts, Roermonds, Sittards, Tongers, Venloos, enzovoorts

D-Language - Page Identity Image
Een populaire uitleg over het Limburgs als toontaal (Nederlands)
Geluidsfragmenten van verschillende Limburgse dialecten (Limburgs)

Het Limburgs is een West-Germaanse taal. Taalkundig verschilt het Limburgs van de buurtalen Nederlands en Duits vanwege zijn contrastieve tonaliteit en eigen klankleer, grammatica en woordenschat. Het Limburgs heeft een eigen schrijftraditie en literatuur , die gedeeltelijk teruggaan tot in de Middeleeuwen.

Er zijn zo’n 1,2 – 1,5 miljoen sprekers van het Limburgs. Aan de Nederlandse kant wordt het meer gebruikt dan in België, ook qua leeftijdsgroep, situatie en sociaal-economische laag. Het gebruik van de taal neemt echter af en UNESCO heeft het Limburgs geclassificeerd als ‘kwetsbaar’ (vulnerable).

Sinds 1990 is het Limburgs in België door de Waalse deelregering erkend als inheemse regionale taal. In Nederland is het Limburgs vanaf 1997 een erkende regionale taal onder Deel II van het Europees Handvest voor Regionale Talen of Talen van Minderheden. De Raad van Europa houdt toezicht of Nederland zijn verplichtingen onder het Handvest nakomt. De Limburgse Academie diende hierover in 2019 een NGO-rapport in.

De Limburgse taal

Kenmerken

Limburgs is een West-Germaans dialect gesitueerd tussen het Nederlands en het Duits en sluit nauw aan bij het naburige Rijnlands-Duits taalgebied. Van alle dialecten en regionale talen gesproken in Nederland en Nederlandstalig België staan dialecten van het Limburgs volgens sommige indexen op de grootste talige afstand van het standaard-Nederlands. De volgende eigenschappen kenmerken bijna iedere taaluiting en onderscheiden het Limburgs sterk van het standaard-Nederlands:

Qua klankleer heeft het voor een aantal medeklinkers de Hoogduitse klankverschuiving meegemaakt, van explosief (k) naar fricatief (ch). Klinkerstructuren komen dikwijls nog overeen met de laatmiddeleeuwse situatie. Umlaut wordt gebruikt bij verkleinwoorden, bepaalde meervouden en de 2de/3de persoon van sommige sterke werkwoorden. Verder gebruikt het Limburgs een contrastief toonaccent (sleeptoon en stoottoon) om een semantisch functioneel onderscheid te maken.

Qua grammatica en morfologie worden onderschikkende voegwoorden in afhankelijke bijzinnen vervoegd als het onderwerp van de zin de 2de persoon enkelvoud of meervoud is. Limburgs heeft eigen persoonlijke voornaamwoorden. Voor hulpwerkwoorden is er een irrealis-conjunctief. Limburgs heeft een eigen gerundiumvorm eindigend op een West-Germaanse relictvorm ‘-eere’ of ‘-erre’. Lidwoorden geven het geslachtsonderscheid mannelijk, vrouwelijk en onzijdig aan van zelfstandige naamwoorden. Verder gebruikt het Limburgs frequent het wederkerend voornaamwoord ‘ziech’/’zich’ om een belanghebbend voorwerp mee uit te drukken.

Qua woordenschat sluit het Limburgs aan bij het Rijnlands-Duits taalgebied. Het Limburgs bewaart ook veel woorden die in het standaard-Nederlands in onbruik of uitgestorven zijn. Verder is een groot deel van de Limburgse woordenschat van Waalse oorsprong. Lexicaal staat het Limburgs apart van het standaard-Nederlands omdat gebruikelijke Limburgse woorden niet zijn opgenomen in het lexicon van die standaardtaal.

Publicaties

Hedendaagse presentie

Voor Oost-Limburg wordt geschat dat 70-75 procent van de bevolking van 1 miljoen Limburgs spreekt. Dat percentage is duidelijk hoger bij ouderen dan bij jongeren. Een groot deel van de 675.000 West-Limburgers beheerst het Limburgs actief en passief. Het gebruik van de taal neemt af. UNESCO, in de atlas van bedreigde talen, heeft het Limburgs als ‘kwetsbaar’ (vulnerable) geclassificeerd.

In Oost-Limburg wordt Limburgs gesproken door alle socio-economische lagen van de maatschappij en in veel meer situaties dan aan de Belgische kant. In meer formele situaties, zoals werk of school (55 procent), bij de dokter (40 procent) of aan de telefoon met een vreemde (20 procent) wordt er Limburgs gesproken. Méér dan 80 procent van de Limburgers spreekt de taal met andere sprekers zoals ouders, vrienden, de kapper, de bakker of slager, met mensen op straat en wanneer in het Limburgs aangesproken door mensen op straat of door een vreemde. Tussen 60-80 procent spreekt Limburgs met de partner thuis, met de partner als vreemden erbij zijn en met de kinderen.

In de dagelijkse omgang met de lokale en regionale overheid, in de media en in de zorg wordt de taal dikwijls in informele situaties gesproken. Voor speciale feestdagen wordt het Limburgs in kerkdiensten gebruikt. Het Limburgs is nog het meest aanwezig in het culturele leven: carnaval, popmuziek, toneel en literatuur. De taal is ook één van de meest intensief bestudeerde regionale talen en onderwerp van een groot aantal lexicografische studies. Het Limburgs wordt verder regelmatig gebruikt op social media, méér dan andere regionale talen in Nederland.

Publicaties

Historische presentie

Oudlimburgs

In de achtste en negende eeuw werd de voorloper van het Limburgs gesproken door de meeste mensen in het Maasland. Latijn was de taal van bestuur en wetenschap evenals van de kerk. Toch waren er wat openingetjes voor de volkstaal in de kerk: de volkstaal was toegelaten in het Onze Vader, de geloofsbelijdenis en de preek.

Middellimburgs

Vanaf de dertiende eeuw kwam een lokaal verschillend Middellimburgs in gebruik als ambtstaal voor overheidsdocumenten zoals oorkondes, schenkings- koop- of huuraktes, vonnissen, testamenten. Er zijn omvangrijke goederenregisters van Aldenbiesen vanaf 1280 en in Tongeren werden er in 1277 oorkondes in de volkstaal geschreven. Uit een Sittardse oorkonde van 1243 blijkt dat in die tijd het Limburgs al als ambtstaal werd gebruikt. Uit Maastricht zijn het Statutebook vaan Mestreech van 1380 en oorkondes bekend. In Heerlen wijzen archiefstukken uit de 15de en 16de eeuw ook op het gebruik van Middel Limburgs als ambtstaal.

Nieuwlimburgs

Het Maas-Rijnland was in de middeleeuwen al staatkundig verbrokkeld en werd vanaf 1600 nog meer opgedeeld door invallen van omliggende landen. De nieuwe overheersers voerden op hun Limburgse gebied hun talen in voor bestuur en rechtspraak. Afhankelijk van de bezettende macht werd er op dat Limburgse gebied Frans, Nederlands of Hoogduits als ambtstaal gebruikt.

In de Franse tijd van 1794 tot 1814 mocht vanaf 1794 de burgerlijke rechtspraak in de Limburgse gebieden alleen in het Frans plaatsvinden. Ook officiële stukken moesten vanaf 1803 alleen in het Frans worden opgesteld. Frans werd in het basisonderwijs ingevoerd.

In 1814 eigenden de zich Hollanders de heerschappij over Limburg toe. Koning Willem I legde het Nederlands als ambtstaal op en als vak en voertaal in alle onderwijs. In West-Limburg werd, na de afscheiding in 1830, eerst Frans weer ingevoerd als taal van overheid, rechtspraak en onderwijs. Onder invloed van de Vlaamse Beweging werd vanaf het einde van de 19de eeuw in steeds meer situaties weer Nederlands ingevoerd, ook als ambtstaal en in het onderwijs.

Aan het eind van de Eerste Wereldoorlog was het Limburgs de gesproken taal van alledag. Het officiële geschreven taalgebruik, de ambtstaal en het onderwijs waren Nederlands door de politiek van vernederlandsing. Vooral in Oost-Limburg werd er vaker geschreven Limburgs gebruikt voor speciale culturele uitingen.

Publicaties

Rechtspositie

De Waalse deelregering in België heeft bij decreet van 24 december 1990 als eerste het in België gesproken Limburgs erkend als regionale inheemse taal. Juridische en politieke erkenning in Nederland volgde toen de Nederlandse regering in 1997 het Limburgs voor Oost-Limburg erkende als regionale taal onder titel II van het Handvest voor Regionale Talen en Talen van Minderheden.

Onder de bepalingen van het Handvest is erkend dat het Limburgs geen dialect van het Nederlands is, maar een aparte regionale taal. De Nederlandse Staat is onder het internationale recht gehouden om de verplichtingen van het Handvest na te komen. Tot nu toe heeft zij geen uitvoering gegeven aan haar verplichtingen onder het Handvest. Hierover heeft de Limbörgse Academie in 2019 een NGO-rapport (in het Engels) ingediend bij de Raad van Europa, die toezicht houdt op de naleving van het Handvest.

Aan het eind van 2019 is er een verdere politiek-bestuurlijke erkenning voor het Limburgs als taal gekomen. Met het Convenant inzake de Nederlandse erkenning van de Limburgse taal hebben het Ministerie van Binnenlandse Zaken in Den Haag en de Provincie Limburg enkele afspraken gemaakt om taalbeleid voor het Limburgs te ontwikkelen. In een analyse vaan de Limbörgse Academie wordt uitgelegd wat dit betekent en hoe de erkenningen onder het Handvest en het Convenant zich tot elkaar verhouden.

Publicaties